In den beginne met Genesis
Genesis in 150 Bijbelverzen !
In den beginne schiep God de hemel en de aarde, Adam en Eva, het paradijs, de zondeval, Kaïn sloeg Abel,
De ark van Noach en de vloed, de roeping van Abram, Sodom en Gomorrah, Isaäk, Jacob,
en Jozef in Egypte en het confronterende weerzien met zijn broers. Voor u samengevat.
Genesis in honderdvijftig bijbelverzen
De schepping H1-2
1 In den beginne schiep God de hemel en de aarde. Genesis 1:1
2 En God zei: laat er licht zijn, en er was licht. Genesis 1:3
3 En het was avond en het was ochtend, de eerste dag. Genesis 1:5
4 Toen zei God: laat Ons mensen maken in Ons beeld, naar Onze gelijkenis. Genesis 1:26
5 God zag alles wat Hij gemaakt had en het was erg goed. Genesis 1:31
6 God zegende de zevende dag en heiligde deze, omdat Hij op deze dag rustte
  van al het werk wat Hij gemaakt had. Genesis 2:3
7 De Here God vormde de man uit het stof van de aarde en blies de levensadem in zijn neus
  en de man werd een levend wezen. Genesis 2:7
8 In het midden van de tuin was de boom des levens en de boom van kennis van goed en kwaad. Genesis 2:9
9 De Here God nam de man en plaatste hem in de hof van Eden om daar te werken en ervoor te zorgen. Genesis 2:15
10 De Here God zei: het is niet goed dat de man alleen is. Ik zal voor hem een geschikte helper maken. Genesis 2:18
11 Toen maakte de Here God een vrouw van de rib die hij van de man had genomen. Genesis 2:22
12 De man zei: dit is nu gebeente van mijn gebeente en vlees van mijn vlees. Genesis 2:23
13 Hierom zal een man zijn vader en moeder verlaten en verenigd worden met zijn vrouw,
  en zij zullen één vlees zijn. Genesis 2:24
14 De man en de vrouw waren beide naakt, maar zij voelden geen schaamte. Genesis 2:25
De zondeval H3-4
15 De slang nu was slimmer dan enig ander wild dier die de Here God had gemaakt. Genesis 3:1
16 Je zult niet sterven, zei de slang tegen de vrouw. Want God weet dat als je van de vrucht eet,
  je ogen zullen worden geopend en je dan als God zult zijn, wetende goed en kwaad. Genesis 3:4
17 De vrouw nam wat en at het. Ze gaf ook aan haar man die bij haar was en hij at het.
  Toen werden de ogen van beiden geopend en realiseerden ze dat ze naakt waren. Genesis 3:6
18 De Here God riep de man; waar ben je ? Genesis 3:9
19 Tegen de slang zei God: Ik zal vijandschap brengen tussen jou en de vrouw en tussen jou en haar zaad.
  Hij zal jouw hoofd inslaan en jij zal zijn hiel raken. Genesis 3:15
20 Tegen de vrouw zei God: Ik zal je pijnen bij de zwangerschap sterk vergroten, en met pijn zul je kinderen baren.
  Je verlangen zal naar je man uitgaan en hij zal over je heersen. Genesis 3:16
21 Tegen Adam zei God: Vervloekt is de grond door jou. Door moeizame arbeid zul je ervan eten
  al de dagen van je leven. Het zal doornen en distels voor je produceren. Genesis 3:17
22 Maar als je doet wat niet goed is, ligt de zonde op de loer. Het verlangt ernaar je te hebben,
  maar jij moet het overheersen. Genesis 4:7
23 Ik weet het niet, antwoorde Caïn, ben ik mijn broeders hoeder ? Genesis 4:9
Nakomelingen van Adam H5
24 Toen Adam 130 jaar was, kreeg hij een zoon in zijn eigen gelijkenis, en hij noemde hem Seth. Genesis 5:3
25 Adam leefde 930 jaar en toen stierf hij. Genesis 5:5
26 Henoch wandelde met God.Toen was hij er niet meer, want God had hem weggenomen. Genesis 5:24
27 Methusalem leefde 969 jaar en toen stierf hij. Genesis 5:27
Noach en de vloed H6-9
28 Toen zei de Heer; mijn Geest zal niet altijd strijden met de mens, want hij is sterfelijk.
  Zijn dagen zullen 120 jaar zijn. Genesis 6:3
29 The Nephilim waren op de aarde in die dagen, en ook erna, doordat de zonen van God tot de dochters
  van de mensen kwamen en kinderen bij hen kregen. Deze waren de oude helden, mannen van aanzien. Genesis 6:4
30 De Heer betreurde het dat Hij de mens op aarde had gemaakt, en Zijn hart was vervuld met pijn.
  Dus zij de Heer; ik zal de mensheid wegvagen van de aarde. Genesis 6:6
31 Noach was een rechtvaardig man, zuiver tussen de mensen van zijn tijd, en hij wandelde met God. Genesis 6:9
32 Dit is hoe je de ark moet bouwen; 450 voet lang, 75 voet breed en 45 voet hoog. Genesis 6:15
33 Neem van elk rein dier 7 paar mee, een mannetje en een vrouwtje en van
  elk onrein dier 1 paar, een mannetje en een vrouwtje. Genesis 7:2
34 In het 600ste jaar van het leven van noach, op de 17e van de 2e maand, op die dag sprongen alle bronnen
  van de grote diepten open, evenals de vloed vanuit de hemelen werd geopend. Genesis 7:11
35 De wateren stegen en bedekten de bergen met een diepte van meer dan 20 voet. Genesis 7:20
36 Elk levend wezen op het aardoppervlak werd weggevaagd: mensen, dieren, de insecten die over de grond
  kruipen en de vogels van de lucht. Alleen Noach en de zijnen die met hem in de ark waren bleven over. Genesis 7:23
37 En op de 17e van de 7e maand kwam de ark te rusten op de bergen van de Ararat. Genesis 8:4
38 Toen de duif terugkwam in de avond had deze een vers geplukt olijfblad. Genesis 8:11
39 De Heer rook de aangename aroma en zei: nooit zal Ik de grond meer vervloeken vanwege de mens,
  ondanks dat zijn hart geneigd is naar alle kwaad van kindheids af. Genesis 8:21
40 Alles wat leeft en beweegt zal voedsel voor je zijn. Zoals Ik je eerst al
  de groene planten gaf, geef Ik je nu alles. Genesis 9:3
41 Ik heb mijn regenboog in de wolken gezet, en het zal het teken zijn van het verbond tussen Mij en de aarde. Genesis 9:13
42 Sem, Cham en Jafet. Dit waren de drie zonen van Noach, en via hen kwamen de mensen
  die zich over de aarde verspreiden. Genesis 9:19
De toren van Babel H11
43 Eber kreeg twee zonen. Eén heette Peleg, want in zijn tijd werd de aarde verdeeld. Genesis 10:25
44 Toen zeiden zij: kom, laat ons voor onszelf een stad bouwen met een toren die tot in de hemel reikt. Genesis 11:4
45 Maar de Heer kwam naar beneden om de stad te bekijken en de toren die ze aan het bouwen waren. Genesis 11:5
46 De Heer zei: als ze als één volk, dat dezelfde taal spreekt, hieraan begonnen zijn,
  dan zal voor hen niets onmogelijk zijn. Genesis 11:6
47 Dat is waarom het Babel genoemd wordt, omdat de Heer daar de taal van de wereld verwarde. Genesis 11:9
Abram en Saraï H12-15
48 De Heer had gezegd tegen Abram: verlaat je land, je volk en je vaders gezin en ga
  naar het land dat Ik je zal laten zien. Genesis 12:1
49 Ik zal zegenen, wie jou zegenen en vervloeken wie jouw vervloeken, en alle volken
  zullen gezegend worden via jou. Genesis 12:3
50 Nu was er een hongersnood in het land en Abram vertrok naar Egypte. Genesis 12:10
51 Zeg dat je mijn zuster bent, zodat ik goed behandeld zal worden en mijn leven gespaard. Genesis 12:13
52 Nu waren de mensen in Sodom slecht en zondigden verschrikkelijk tegen de Heer. Genesis 13:13
53 Toen kwam Melchizedek, koning van de vrede, met brood en wijn.
  Hij was priester van de Allerhoogste Heer. Genesis 14:18
54 Toen gaf Abram Melchizedek een tiende van alles. Genesis 14:20
55 Kijk op naar de hemel en tel de sterren, als je ze inderdaad kunt tellen,
  en God zei Abram: zo zal ook je nageslacht zijn. Genesis 15:5
56 Abram geloofde de Heer en dit werd hem tot rechtvaardigheid gerekend. Genesis 15:6
57 Weet dit als zeker, dat je afstammelingen slaven zullen zijn in een land dat niet van hen is en
  mishandeld zullen worden gedurende 400 jaar. Genesis 15:13
Abraham en Sara H16-17
58 Sarai zijn vrouw nam haar Egyptische huishulp Hagar en gaf haar aan haar man. Hij sliep
  met haar en zij werd zwanger. Genesis 16:3
59 Je zal hem Ismaël noemen, want de Heer heeft van je ellende gehoord. Hij zal een wilde ezel
  van een man zijn. Zijn hand zal tegen ieder zijn en iedereen zijn hand tegen de zijne. Genesis 16:11
60 Je zult niet langer Abram genoemd worden, maar Abraham, want ik heb je gemaakt
  tot een vader van vele volken. Genesis 17:5
61 Je moet de besnijdenis ondergaan en dit zal het teken zijn van het verbond tussen jou en Mij. Genesis 17:11
62 Betreffende Sarai; je zult haar niet langer Sarai noemen, maar Sara. Ik zal haar zegenen
  en zal je zeker een zoon van haar geven. Ik zal haar zegenen en zij zal de moeder der volken zijn. Genesis 17:16
63 Abraham viel op de grond, lachtte en zei tegen zichzelf; zal een zoon geboren worden
  aan een honderdjarige ? Zal Sara een kind baren op negentigjarige leeftijd ? Genesis 17:17
64 Toen zei de Heer: Ik zal zeker rond volgend jaar terugkomen en Sara, je vrouw zal een kind hebben. Genesis 18:10
Sodom & Gomorra H18-19
65 Toen zei de heer: zal Ik verborgen houden, wat Ik van plan ben te doen ? Genesis 18:17
66 Toen benaderde Abraham hem en zei: zal U de rechtvaardigen vernietigen samen met de slechten ? Genesis 18:23
67 Het zij verre van U. Zal de Rechter van allen niet rechtspreken ? Genesis 18:25
68 God antwoordde: Voor de gunst van 10 zal ik de stad niet vernietigen. Genesis 18:32
69 Ze riepen naar Lot: waar zijn de mannen die vanavond bij je kwamen ? Breng ze naar buiten
  zodat we sex met ze kunnen hebben. Genesis 19:5
70 Lot zei: snel en verlaat deze plaats, omdat de Heer op het punt staat deze stad
  te vernietigen. Maar zijn schoonzonen dachten dat hij een grap maakte. Genesis 19:14
71 Toen liet de Heer brandend zwavel regenen op Sodom en Gomorrah. Genesis 19:23
72 maar Lot zijn vrouw keek om en veranderde in een zoutpilaar. Genesis 19:26
73 De oudste dochter had een zoon en zij noemde hem Moab. Hij is de vader
  van de Moabieten van vandaag. Genesis 19:37
74 De jongste dochter had ook een zoon en zij noemde hem Ben-Ammi. Hij is de vader
  van de Ammonieten van vandaag. Genesis 19:38
Abraham en Isaak H20-23
75 Abraham bad tot God en God genas Abimelech, zijn vrouw en zijn slavenmeisjes,
  zodat ze weer kinderen konden krijgen. Genesis 20:17
76 Sara zei: God bracht me aan het lachen en iedereen die dit hoort zal met me lachen. Genesis 21:6
77 Toen opende God Hagars ogen en zag zij een waterbron. Genesis 21:19
78 God zei: Neem je zoon, je enige zoon Isaak die je liefhebt en ga naar de regio Moria.
  Offer hem daar als een brandoffer. Genesis 22:2
79 Abraham antwoordde: God zelf zal zorgen voor het lam voor het brandoffer. Genesis 22:8
80 Toen strekte hij zijn hand uit en nam het mes om te steken, maar de engel van de Heer
  riep naar hem vanuit de hemel: Abraham, Abraham. Genesis 22:10
81 En tot op deze dag wordt gezegd: Op de berg van de Heer zal worden voorzien. Genesis 22:14
82 Ik zal je zeker zegenen en je nakomelingen zo talrijk maken als de sterren
  aan de hemel en als het zand op het strand. Genesis 22:17
83 Sara leefde tot op 127 jarige leeftijd. Genesis 23:1
Isaak en Rebekka H24-26
84 Ga naar mijn land en mijn eigen familie en haal een vrouw voor mijn zoon Isaak. Genesis 24:4
85 Voordat hij gestopt was met bidden kwam Rebekka naar buiten met een kan op haar schouders. Genesis .24:15
86 De vrouw was erg mooi, een maagd: niemand had ooit met haar geslapen. Genesis 24:16
87 Zo werd zij zijn vrouw en hij hield van haar. Zo werd Isaak getroost
  na de dood van zijn moeder. Genesis 24:67
88 Isaak bad tot de Heer vanwege zijn vrouw die onvruchtbaar was. De Heer antwoordde
  zijn gebed en Rebekka werd zwanger. Genesis 25:21
89 Isaak plantte gewassen in dat land en oogstte het zelfde jaar honderdvoudig,
  omdat de Heer hem zegende. Genesis 26:12
Jacob en Esau H27-31
90 Jacob zei tegen zijn vader: ik ben Esau, uw eerstgeborene. Genesis 27:19
91 Jacob had een droom waarin hij een trap zag die rustte op de aarde tot aan de hemel
  en de engelen van God stegen op en daalden daarop neer. Genesis 28:12
92 Toen zei Rebekka tegen Jacob: ik verafschuw het leven vanwege die Hittieten vrouwen. Genesis 27:46
93 Hij noemde die plaats Bethel, ondanks dat de stad Luz heette. Genesis 28:19
94 Jacob maakte een gelofte zeggende: als God met mij zal zijn en tijdens deze reis
  die ik ga maken over mij zal waken, voedsel te eten zal geven en kleren om te dragen,
  zodat ik veilig naar mijn vaders huis terugkeer, dan zal de Heer mijn God zijn. Genesis 28:20
95 Toen kuste Jacob Rachel en begon luid te huilen. Genesis 29:11
96 Dus werkte Jacob zeven jaar voor Rachel, maar die leken slechts een paar dagen,
  omdat hij van haar hield. Genesis 29:20
97 Toen het morgen was, bleek het Lea te zijn. Dus zei Jacob tegen Laban; Wat heb je me aangedaan ?
  Ik heb je gediend voor Rachel, is het niet ? Waarom heb je me bedrogen ? Genesis 29:25
98 Toen de Heer zag dat Leah niet geliefd was, opende Hij haar schoot, maar Rachel was onvruchtbaar. Genesis 29:31
99 Daardoor zei ze tegen Jacob: geef me kinderen of ik zal sterven. Genesis 30:1
100 Jacob werd boos op Rachel: sta ik op de plaats van God. Wie heeft verhinderd dat je kinderen kreeg ? Genesis 30:2
101 Toen dacht God aan Rachel; Hij luisterde naar haar en opende haar schoot. Genesis 30:22
102 Rachel werd zwanger en zette een zoon op de wereld, en zei: God heeft mijn schaamte weggenomen. Genesis 30:23
103 In het broedseizoen heb ik eens een droom gehad, waarin ik opkeek en zag
  dat al de mannelijke geiten die met de kudde paarden, gestreept, gevlekt of gespikkeld waren. Genesis 31:10
104 Rachel nu had de huishoudgoden meegenomen en ze in het kamelenzadel gestopt en zij zat erop. Genesis 31:34
105 Wees niet boos, mijn heer, dat ik niet opsta. Ik zit in mijn maandelijkse periode. Genesis 31:35
106 De hoop werd ook Mizpah genoemd, omdat hij zei: moge de Heer getuige zijn tussen jou en mij
  wanneer we ver verwijderd zijn van elkaar. Genesis 31:49
Jacob ontmoet Esau H32-36
107 Red me, bid ik, van de hand van mijn broeder Esau, want ik ben bang dat hij zal komen en me aanvallen. Genesis 32:11
108 Toen de man zag dat hij niet kon winnen, sloeg hij op het gewricht van Jacobs heup
  waardoor deze brak toen hij met de man aan het worstelen was. Genesis 32:25
109 Maar Jacob antwoordde: ik zal je niet laten gaan, tenzij je mij zegent. Genesis 32:26
110 Toen zei de man: je zult niet langer Jacob heten, maar Israël, want je hebt gevochten
  met God en mensen en je hebt overwonnen. Genesis 32:28
111 Zo noemde Jacob de plaats Pniël, zeggende: het is omdat ik God van gezicht tot gezicht
  zag, en toch is mijn leven gespaard. Genesis 32:30
112 Maar Esau rende om Jacob te ontmoeten en omhelsde hem. Hij sloeg zijn armen
  om hem heen en kuste hem. En ze huilden. Genesis 33:3
113 Toen Shechem, zoon van Hamar de Hiviet, the leider in dat gebied, Dina zag, pakte hij haar vast
  en verkrachtte haar. Genesis 34:2
114 Drie dagen later terwijl al de Shechemieten nog pijn hadden, namen twee van Jacobs zonen,
  Simeon en Levi, Dina's broers, hun zwaarden en vielen de argeloze stad aan en doodden alle mannen. Genesis 34:25
115 Toen zei Jacob tegen Simeon en Levi: Jullie hebben mij in de problemen gebracht door me
  in een kwade reuk te brengen bij de Kanaänieten en de Perizieten. Genesis 34:30
116 Terwijl Rachel haar laatste adem uitblies, want ze was stervende, noemde ze hem Ben-oni,
  maar zijn vader noemde hem Benjamin. Genesis 35:18
117 Dit is het verslag van Esau, de vader van de Edomieten in het heuvellandschap van Seïr. Genesis 36:9
Jozef in Israël H37-38
118 Israel nu hield meer van Jozef dan van enig andere zoon, omdat hij op oudere leeftijd
  geboren was, en hij maakte een rijk versierde mantel voor hem. Genesis 37:3
119 Jozef zei tegen hen: luister, ik had een droom; we waren koren aan het binden in het veld
  toen plotseling mijn bundel bewoog en recht ging staan, terwijl jullie bundels zich verzamelden
  rondom de mijne en zich ervoor bogen. Genesis 37:7
120 Luister, ik had een andere droom en deze keer bogen de zon en de maan zich naar mij toe. Genesis 37:9
121 Dus toen de Midianitische kooplui kwamen, trokken zijn broers hem uit de put en verkochten
  ze hem voor 20 zilverlingen aan de Ismaëlieten die hem naar Egypte brachten. Genesis 37:28
122 Al zijn zonen kwamen om Jacob te troosten, maar hij weigerde te worden getroost. Genesis 37:35
123 Maar Onan wist dat de nakomeling niet de zijne zou zijn, dus als hij met zijn broeders vrouw lag, liet hij
  het zaad op de grond vloeien om te verhinderen een nakomeling te krijgen voor zijn broer. Genesis 38:9
124 Juda zei: welke borg moet ik je geven ? Je zegel, je riem en de staf in je hand, antwoordde Tamar. Genesis 38:18
125 Terwijl Tamar aan het bevallen was, stak één een hand naar buiten. Toen pakte de vroedvrouw
  een paarse draad en bond deze om de pols en zei: deze kwam het eerste. Maar toen deze de hand terugtrok,
  kwam de andere broer naar buiten. Genesis 38:28
Jozef in Egypte H39-41
126 De Heer was met Jozef en hij was voorspoedig. Genesis 39:2
127 Jozef nu was goedgebouwd en aantrekkelijk en na een poos viel de vrouw van zijn baas dit op
  en zei: kom met me naar bed. Maar hij weigerde. Genesis 39:7
128 Terwijl Jozef in de gevangenis was, was de Heer met hem. Genesis 39:20
129 Toen zei Jozef tegen de schenker en de bakker; komt uitleg niet van God ?
  Vertel me jullie dromen. Genesis 40:8
130 Dit is wat het betekent, zei Jozef tegen de schenker: de drie takken zijn drie dagen.
  Binnen drie dagen zal de farao uw hoofd opheffen en u herstellen in je functie. Genesis 40:12
131 Dit is wat het betekent, zei Jozef tegen de bakker: de drie manden zijn drie dagen.
  Binnen drie dagen zal de farao uw hoofd neerhalen en u ophangen aan een paal. Genesis 40:19
132 En de koeien die lelijk en mager waren aten de koeien op die mooi en dik waren.
  Toen werd de farao wakker. Genesis 41:4
133 De farao viel weer in slaap en kreeg een tweede droom: Zeven aren van graan, gezond en sterk
  groeiden op een enkele stam. Genesis 41:5
134 Ik kan het niet, antwoordde Jozef farao, maar God zal u het antwoord geven waar u om vraagt. Genesis 41:16
135 Zeven jaar van grote overvloed komen eraan voor geheel Egypte, maar zeven jaar
  van honger zullen daarop volgen. Genesis 41:29
136 Jozef noemde zijn eerstgeborene Manasse en zei: het is omdat de Heer mij al mijn problemen heeft
  doen vergeten en mijn vaders gezin. Genesis 41:51
137 De tweede zoon noemde hij Efraïm en zei: het is omdat de Heer me vrucht liet dragen
  in het land van mijn lijden. Genesis 41:52
Jozef ontmoet zijn broers H42-50
138 Toen Jozefs broers aankwamen bogen ze voor hem met hun gezichten naar de grond. Genesis 42:6
139 Ze zeiden tegen elkaar: zeker worden we nu gestrafd vanwege onze broer. Genesis 42:21
140 Hun vader Jacob zei hun: jullie hebben me beroofd van mijn kinderen. Jozef is niet meer,
  Simeon is niet meer, en nu willen jullie Benjamin. Alles is tegen mij ! Genesis 42:36
141 Diep ontroerd door het zien van zijn broer, haastte Jozef zich naar buiten
  voor een plaats om te huilen. Genesis 43:30
142 Nu, wees niet langer gestresst of boos op jullie zelf, omdat God me voor jullie
  uit heeft gestuurd om levens te redden. Genesis 45:5
143 Dus jullie waren het niet die mij hierheen stuurden, maar God. Genesis 45:8
144 Zij vertelden Jacob: Jozef leeft nog. In feite is hij nu de leider van heel Egypte.
  Hij was verbijsterd en hij geloofde hen niet. Genesis 45:26
145 Al die met Jacob naar Egypte gingen, de directe familie, de vrouwen van
  zijn zonen niet meegerekend, waren 66. Genesis 46:26
146 En Jacob zei tegen farao: De jaren van mijn pelgrimsreis zijn 130. De jaren zijn weinig
  en moeilijk geweest, en zijn niet gelijk aan de pelgrimsreis van mijn vaders. Genesis 47:9
147 Zo vestigde Jozef de wet over het land in Egypte, vandaag de dag nog van kracht, dat
  een vijfde van de opbrengst de farao toebehoort. Genesis 47:27
148 Toen Jacob klaar was met instructies te geven aan zijn zonen, trok hij zijn voeten
  op in het bed, ademde zijn laatste adem en werd verzameld bij zijn voorouders. Genesis 49:33
149 Maar Jozef zei hen: wees niet bang. Ben ik op de plaats van God ? Jullie probeerden me kwaad te doen,
  maar God gebruikte het voor goed om te bereiken wat nu gedaan is, het redden van veel mensen. Genesis 50:19
150 Alzo stierf Jozef op 110-jarige leeftijd. Nadat zij hem hadden gebalsemd werd
  hij in een kist geplaatst in Egypte. Genesis 50:26